PGS 37-1 geldt voor energieopslagsystemen (EOS'en) met lithiumhoudende, oplaadbare energiedragers die in groepen elektrisch met elkaar zijn verbonden, met een totaal opgestelde capaciteit van meer dan 20 kWh. Het maakt niet uit of het systeem binnen of buiten staat, vast is opgesteld of verplaatsbaar is. Systemen van particulieren, zoals thuisbatterijen, zijn uitgezonderd.
Wat bij het EOS hoort
Niet alleen de batterijen vallen onder de richtlijn. Randapparatuur zoals ventilatie en technische beveiliging hoort bij het EOS, en het batterijmanagementsysteem (BMS) ook. De richtlijn geldt voor nieuwe, gebruikte en afgedankte systemen.
Vanaf wanneer en tot wanneer
PGS 37-1 is van toepassing vanaf de ingebruikname, "zodra het EOS vermogen kan gaan opnemen of afgeven". Het bereik loopt tot de buitenwerkingstelling: ontladen tot maximaal 30% en de modules losgekoppeld. Voor de periode tussen buitenwerkingstelling en afvoer moet een plan met het bevoegd gezag worden afgestemd. Een EOS in opbouw valt volgens de richtlijn "noch onder PGS 37-1 noch onder PGS 37-2".
Locatie en vorm
Het EOS kan inpandig staan, buiten in bijvoorbeeld een container, op een dak of aan de buitengevel. Verplaatsbare systemen, zoals verhuur-EOS'en, vallen er ook onder, net als het batterijdeel van hybride aggregaten. De richtlijn onderscheidt zes typicals:
- T1: zelfstandig EOS in een (aangepaste) container;
- T2: energieopslagpark met meerdere gekoppelde containers;
- T3: park met niet-betreedbare behuizingen in de openlucht, bijvoorbeeld voor netstabilisatie;
- T4: mobiel EOS, een tijdelijke installatie van maximaal een jaar (daarna geldt T1, tenzij anders afgesproken met het bevoegd gezag), met onder meer een subcategorie kleinschalig (20–100 kWh);
- T5: inpandig EOS in een eigen ruimte, bijvoorbeeld voor noodstroom of opslag van zonnestroom;
- T6: inpandig EOS in een open ruimte, bijvoorbeeld voor snelladen van heftrucks.
Past een systeem onder geen enkele typical, dan is maatwerk nodig. De maatregelen gaan uit van maximaal 400 MWh en 1.000 V AC of 1.500 V DC; nieuwbouw daarboven vraagt maatwerk met een eigen risicoanalyse en afstemming met de veiligheidsregio.
Wat buiten PGS 37-1 valt
- opslag van lithiumhoudende energiedragers (daarvoor geldt PGS 37-2);
- systemen van particulieren, zoals thuisbatterijen en gebruik in plezier-, vaar- of voertuigen; boven 20 kWh wordt wel aanbevolen de maatregelen toe te passen;
- flowbatterijen, behalve hybride systemen met lithiumhoudende energiedragers;
- solid-statebatterijen en condensatoren;
- maritieme toepassingen aan boord van een vaartuig zonder permanente ligplaats;
- elektrische voertuigen en machines als onderdeel van een EOS (smart grid).
Bijzondere gevallen
- Hergebruikte batterijen: lithiumenergiedragers uit voertuigen die in een EOS worden gebruikt, vallen er wél onder. Hergebruikte ('second-use') energiedragers gelden als vergelijkbaar met nieuwe, mits de producentenverantwoordelijkheid goed is geregeld en de cellen binnen de fabrieksparameters blijven, met het originele of een vergelijkbaar BMS.
- Laadpleinen: een apart EOS bij een laadplein of voor snelladen valt onder de richtlijn. Een toepassing met de tractiebatterij van het voertuig zelf valt erbuiten; daar moet het bevoegd gezag maatwerk doen.
- Buurtbatterijen: IPLO noemt buurtbatterijen van bewonersverenigingen uitdrukkelijk als voorbeeld van een EOS onder PGS 37-1.
- Andere chemie: de richtlijn gaat alleen over lithium. Volgens het consultatieverslag gaat het voorgenomen wijzigingsbesluit ook gelden voor natriumhoudende energiedragers, maar hoe die inhoudelijk worden behandeld, is nog niet bekend (stand oktober 2026).
Hoe u de capaciteit telt, leest u bij ondergrens capaciteit.